De drie schabellen

De drie schabellen, een vergeten stadskasteel te Utrecht

Inleiding

Al tijdens mijn eerste bezoek in 1990 aan Het Utrechts Archief werd mij duidelijk dat De Drie Schabellen een belangwekkend pand was met niet alleen een zeer interessante bouwkundige voorgeschiedenis, maar ook met eigenaren die vooraanstaande posities bekleed hadden in de bestuurlijke organen van zowel het geestelijke als wereldlijke gezag van de stad Utrecht. Vierentwintig jaar later besloot ik al het toen verzamelde materiaal te ordenen en op schrift te stellen. En zo geschiedde.

Voor mij lag het voor de hand het eerste hoofdstuk te beginnen met het schetsen van de algemene geschiedenis van de Oudegracht en omgeving. Deze geschiedenis is algemeen bekend en vaak verteld en daar heb ik dan ook niet veel aan toegevoegd. In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt niet alleen het ontstaan van de werven behandeld, maar ook de verkaveling binnen de grenzen van de ommuurde stad Utrecht. Allemaal onderwerpen die direct te maken hebben met de bouw van de opstal op het perceel dat vanaf 1917 bij het kadaster bekend staat als B 31: Oudegracht 267. Maar wie in de 13de eeuw nu precies de uitgifte heeft gedaan van een veel grotere kavel (de uitgifte dateert van die tijd), daarop is geen pasklaar antwoord te geven. Laat staan wie toen de juridische eigenaar van de opstal is geweest.

Uit de wirwar aan gegevens die ik bij mijn onderzoek heb opgeduikeld komt naar voren dat de juridische eigendomsverhoudingen in de middeleeuwen uiterst complex in elkaar steken, wat ongetwijfeld te maken heeft met de belangenstrijd tussen de feodale klerikale macht die de stad tot de 13de eeuw in zijn greep heeft en de dan opkomende nieuwe klasse, het patriciaat. Deze nieuwe klasse, deels gevormd door ministerialen en kooplieden heeft op dat moment de economische wind in de zeilen. Zij bemoeit zich voortaan nadrukkelijk met de bestuurlijke inrichting van de stad, de uitgifte van grond en de aankoop van onroerend goed.

Niet veel later doet een nieuwe klasse van zich spreken, de burgerij. Deze burgerij, voornamelijk verenigd in gilden, oefenen vanaf het begin van de 14de eeuw een toenemende invloed uit op de gang van zaken in de stad. En dat heeft zo zijn gevolgen. Al heel vroeg wordt de stad geteisterd door een aaneenschakeling van conflicten tussen de oude feodale kaste (de clerus en de oude adel), de nieuwe klasse van patriciërs (de ondernemende adel en de kooplieden) en de opkomende burgerij. Geen enkele klasse slaagt erin de andere definitief uit te schakelen.
En dat maakt de verhoudingen, dus ook op juridisch vlak, er niet eenvoudiger op. Zo zal nog tot in de Napoleontische tijd, 1811, de clerus (waartoe tot in de 17de eeuw ook de kanunniken hebben behoord) een rol blijven spelen in de discussies rondom het eigendomsrecht van het onroerend goed in de stad.

Verder blijkt de burgerij onderling ook nog verdeeld te zijn. En dat heeft weer alles te maken met de getraptheid van het gildensysteem (deken of ouderman, meester, gezel of leerling). Een burger - het burgerschap diende gekocht te worden - achtte zichzelf weer hoger dan een gezel, die zichzelf weer hoger op de sociale ladder vond staan als de leerlingambachtsman. Daarnaast boterde het ook niet altijd tussen de gilden onderling. Al met al is er in de middeleeuwen sprake van een ingewikkeld maar ook rigide sociaal stratificatiesysteem.
Tot slot heb ik in het eerste hoofdstuk een uiteenzetting over het tijnsrecht opgenomen omdat één van de kapittels die de tijns heffen zeer waarschijnlijk eigenaar is geweest van het pand.

Hoofdstuk II handelt voornamelijk over de algemene bouwgeschiedenis van de grachtenpanden in de stad en die van De Drie Schabellen in het bijzonder. In dit verhaal passeren meerdere voorbeelden van allerhande typen huizen de revue, zoals de klassieke woontoren, het bovenhalhuis, het diepe huis en het samengestelde huis. Ook wordt in dit hoofdstuk de hypothese opgeworpen dat het achterhuis, dat later deel uit gaat maken van De Drie Schabellen, een woontoren is geweest.

In hoofdstuk III wordt deze these verder onderbouwd, tevens wordt er specifiek ingegaan op de bouwgeschiedenis van het pand. Verder wordt in dit hoofdstuk gesteld dat de woontoren als basis heeft gediend voor de uiteindelijke realisatie van een groot diep huis (7.50 m breed en ruim 23 meter diep) dat als een heus stadskasteel kan worden beschouwd.
Ook wordt in dit hoofdstuk een beeld gegeven van de bebouwde omgeving, dat wil zeggen van de directe omgeving van het pand, het was ten slotte een in oorsprong breed perceel (13 m) dat liep van de Oudegracht tot aan de Springweg. Op dit perceel verrijzen in de loop der tijd meerdere gebouwen zoals een op zichzelf staand achterhuis dat Huis De Lange Gangwordt genoemd. Bij nader inzien blijkt het een verbouwde hoeve te zijn, die via een poortweg verbonden is met De Drie Schabellen.
Verder komen we nog een ‘tuinhuis’ tegen dat later omgetoverd zal worden tot atelier, een poortgebouw dat gelegen is aan de Springweg en een drietal ‘cameren’ op het binnenterrein. Als je over zoveel bezit beschikt ? in de 16de eeuw was de eigenaar van De Drie Schabellen houtkoper en kistenmaker van beroep – dan kan het niet anders dat je tot de elite van de stad hebt behoord.

Met deze vaststelling zijn we bij Hoofdstuk IV beland. In dit hoofdstuk treffen wij een zeer uitgebreide opsomming aan van eigenaren van het pand. De eigenaren van na 1520 staan vast, die van voor 1500 zijn gebaseerd op toevallige vondsten in het archief van de stad Utrecht die op een fantasievolle wijze met elkaar in verband zijn gebracht.
Na veel geworsteld te hebben met de materie ben ik tot de conclusie gekomen dat een hard bewijs van wie nu precies de eigenaren in de vroege middeleeuwen zijn geweest niet geleverd kan worden. In deze blijft ‘wetenschappelijk’ onderzoek giswerk, niet alleen voor mij, maar ook voor een eventuele toekomstige onderzoeker van de geschiedenis van het pand.

Naast een algemeen overzicht - van 1500 tot 1812 hebben vier vooraanstaande families het pand in eigendom gehad - wordt er in de bijlagen een meer gedetailleerd overzicht van de eigendomsverhoudingen gegeven. Deze overzichten schetsen hoe verweven de sociologische, politieke en economische verhoudingen in die tijd zijn geweest (en niet alleen in die tijd zou ik eraan willen toevoegen).
Ik heb dan ook gemeend in een aparte paragraaf te moeten stilstaan bij de sociaaleconomische en politieke ontwikkelingen zoals die zich tot aan het begin van de 19de eeuw in de stad Utrecht hebben voltrokken. Verder worden in de bijlagen schetsmatig de genealogieën van de families in kaart gebracht die voor het eigenaarschap van het pand in aanmerking komen.

Ter afsluiting: Als ik dit onderzoek in een zin zou moeten samenvatten dan zou de conclusie zijn dat De Drie Schabellen een stadskasteel is dat ten onrechte in de vergetelheid is geraakt. Ik heb tijdens het schrijven van deze geschiedenis me er regelmatig over verwonderd dat er nooit serieus onderzoek naar het huis is gedaan.
In meerdere opzichten vreemd. Vooral toen bleek, om een ‘onbeduidend’ voorbeeld te geven, dat ene Paus Adriaan praktisch in de tuin van het perceel is geboren en dat er een overduidelijke connectie bestaat tussen De Drie Schabellen en het verloren gewaande huis Brandaa.

Utrecht, oktober 2014

Dit is de inleiding van een bij Het fatale verlangen verschenen uitgave van De Drie Schabellen; een vergeten stadskasteel te Utrecht. Geschiedenis van een huis en zijn bewoners.
De uitgave is te bestellen via Chaosmaatschappij of via email van de auteur renesanders@ziggo.nl

© 2010 www.chaosmaatschappij.nl